Gezien de huidige brandstofprijzen is het wachten tot bendes geen juwelier meer beroven of zich voordoen als Nigeriaanse familieleden op zoek naar hun rechthebbende Belgische erfgenaam, maar gewoon de tankdop van uw auto losschroeven. Minstens honderd euro, makkelijk verdiend. In die denktrant zou je de uitbater van een tankstation stilaan als de bewaker van Fort Knox kunnen gaan beschouwen. Freddy Heeren (75) is dat al zo’n halve eeuw. En hij is het nog niet beu. Oké, hij assisteert inmiddels zijn zoon, maar toch: een naftman in hart en nieren.
Freddy getuigde deze week in HBvL over de gestegen prijzen, een opwaartse koers die van 7 frank voor een liter diesel in de jaren zeventig leidde tot zo’n 2,20 euro nu, zeg gerust 90 frank. Hoeveel die liter vandaag kost weet ik niet, ik heb nog niet durven kijken. Puur vloeibaar goud dus, al valt te betwijfelen of de heer Heeren daar meteen de vruchten van plukt. Minuscule winstmarges en gestegen kosten en zo – ik ben geen econoom. Maar intussen zit ie toch maar mooi in dat kleine kantoortje van hem/hen, daar aan de spoorwegovergang in Kuringen. En dat is een beeld dat Beeldspraak kent. En u vast ook.
Tegenwoordig moet je eigenlijk nog zelden in zo’n kantoortje zijn. Het zijn heuse supermarkten geworden, met meer spullen en rook- en snoepgerief dan goed is voor een mens. Fascinerend vind ik altijd de kubieke meters brandhout, opgestapeld voor zo’n tankshop. Zou er ooit één toevallige chauffeur gepasseerd zijn die dacht: “Tiens, net nu ik twee kuub nodig heb ...”. Op mezelf na, bedoel ik dan. Soms staat er zelfs een heuse hippe crew achter de toog om verse pizza’s te bakken, ook om vier uur ’s nachts, altijd vanuit de redenering: “Wij zorgen voor werkgelegenheid, meneer”. En voor pizza’s dus. Terwijl ik altijd dacht dat een tankstation voor benzine moest zorgen.
Zoals zo vaak: we wijken af.
Vroeger moest je dus wél in zo’n kantoortje zijn. Om af te rekenen en een liter amberkleurige olie te kopen. Dat moest toen nog, nu krijg je die zomaar bij het jaarlijks onderhoud, aan elfendertig euro per liter. In zo’n door een tl-buis verlicht kamertje hing altijd een beduimelde kalender van het betreffende benzinemerk (die van Shell waren de mooiste) en stonden de plastieken bussen olie netjes opgelijnd op het schap. Af en toe hing er een handvol Belgische nummerplaten onder elkaar aan de muur, ik heb nooit geweten waarom. Een vergeelde foto van een lokale motorcrosser ook. Wanneer daar in de linkerbovenhoek een klein stukje maretak aanhing, wist je genoeg.
En altijd kreeg je er kauwgum. Twee in één klein kartonnen doosje dat een beetje rammelde. Dat waren de beste.
Dezer dagen krijg je in een tankstation niks meer. Tenzij een hartinfarct.