Wie zijn fijne pentekeningen van gebouwen en monumenten ziet, is meteen vertrouwd met zijn werk. Zeker al wat oudere generaties. Ingeweken Kuringenaar Steven Wilsens (81), alias Steven, krijgt in het Prinsenhof in Kuringen dit weekend een overzichtstentoonstelling.
Een gsm heeft hij niet. Een computer evenmin. “Ik heb liever papier en een pennetje. Zoals jij nu”, glimlacht Wilsens. 81 is hij intussen, maar de ogen staan kwiek, de oren zijn nog scherp. “Echte opdrachten doe ik wel niet meer. Als ik teken, doe ik het voor de lol. En in de zomer schilder ik buiten. Niets moet meer. Deze tentoonstelling is er gekomen op vraag van Kuringenaar Kris Leenaers van heemkundekring De Graef. Ik had net een zelf uitgegeven boekje samengesteld over Kuringen. ‘Curieus Curinghen’, heet het. ‘We moeten toch eens iets doen met al die tekeningen van je. Zeker met degene die je over Kuringen gemaakt hebt’, zei hij. En kijk, plots is er die tentoonstelling.” Zijn handelskenmerk is die fijne, elegante inktlijn waarmee hij trefzeker menig monument in Vlaanderen vereeuwigd heeft. “Een simpele lijn”, knikt hij. “Ik ben wel wat schatplichtig aan Hergé. Een tekening moet meteen duidelijk zijn.”
Vanaf de jaren zestig tot diep in de jaren negentig had hij elke week een vaste hoek in zusterkrant ‘De Standaard’. Zo is Steven Wilsens landelijk bekend geworden. Later sierden zijn getekende monumenten, stads- en dorpsgezichten ook menig bierviltje. “Er moet een architect in mij schuilen. Ik heb altijd liever gebouwen getekend dan mensen. Ik heb ook nooit problemen gehad om gebouwen vanuit de lucht te tekenen. Het Koninklijk Museum in Antwerpen wilde eens een nieuwjaarskaart. Ik stelde voor om het museum vanuit de lucht te tekenen. Ze wilden al meteen een helikopter voor mij inhuren. ‘Hoeft niet. Ik doe dat zo wel.’ Ik heb dat, ruimtelijk inzicht. Ik zeg altijd: op mijn vliegende tekenmap ga ik door het decor.”
Tekenen heeft er altijd in gezeten. Tekenen is er altijd voor de lol geweest. Al van toen Steven nog een Steventje was en opgroeide in Peer. Vader en moeder Wilsens hadden een handelszaak in Peer-Centrum. “Ik wilde altijd maar tekenen, maar papier was schaars tijdens de oorlogsjaren. En dus kreeg ik een groot bord. Daarop heb ik heel veel getekend. Soldaten en zo. En tanks. Het was nog oorlog.”
Vader en moeder Wilsens lieten Steven doen. Ook toen hij koos voor het onzekere bestaan van kunstenaar en zich bekwaamde in het tekenen via Sint-Lucas in Brussel en de Kölner Werkschule. “Mijn ouders hadden er alle vertrouwen in. Je moet je plan trekken in het leven. Toen ik begon bij ‘De Standaard’, boden ze mij een vast contract aan. Dat heb ik geweigerd. Ik wilde vrij blijven, ongebonden. Ik wilde mijn goesting blijven doen. Ook dat heb ik van thuis meegekregen.”
Steven heeft een en ander te danken aan De Standaard-journalist en schrijver Gaston Durnez. “Cartoonist Hugoké had ons aan elkaar voorgesteld. En Durnez zei: ‘Ik kan wel een tekenaar als u gebruiken voor mijn rubriek Courant.’ Durnez stoorde zich toen al aan het almaar lelijker wordende land. België met al die bijgebouwen en bijgebouwtjes, met al die vogelkooien, met die zo lelijke lintbebouwing. Toen al. En het is nog niet gedaan.”
“De bedoeling was te laten zien dat het land lelijk aan het worden was, maar dat nog niet alles verloren was. Dat er nog mooie hoekjes waren. Jaren heb ik zo rondgereden in Vlaanderen. En Durnez liet mij vrij in mijn hoekje. Achteraf bekeken heb ik veel te danken aan hem. Zo ben ik van thuis uit begonnen, in 1963. Voor de deur stond die oude pomp met een peer erop. Die staat er trouwens nog. Dat was mijn eerste tekening voor de krant. Tot 1996 heb ik zo elke week gepubliceerd. Plots was het gedaan. Waarom? Nieuwe mensen, nieuwe inzichten. Zoals dat gaat.” Het komt er niet bitter uit. “Ik werd er ook goed voor betaald. Ik heb goed mijn boterham kunnen verdienen. Maar ik was niet bang om hele weekends door te werken. Zoals bijvoorbeeld voor de Kastelenboeken die ik gemaakt heb voor Concentra. Aparte mensen toen nog, kasteelheren en -dames. Ik zei nooit dat het voor de krant was, maar dat het gewoon voor de kunst was.” (lacht)